1LCA in het kort
Milieu-impact wordt bepaald met een levenscyclusanalyse (LCA) en kan worden uitgedrukt in monetaire kosten met de milieukostenindicator (MKI). Om te komen tot de milieukosten van een product, wordt de milieu-impact van meerdere factoren geanalyseerd in alle levensfases van een product. CO₂-uitstoot is een voorbeeld van zo’n factor. In de onderstaande afbeelding is conceptueel weergegeven hoe de MKI-waarde (€) van een product is opgebouwd. De verschillende levensfases in de afbeelding zijn gebaseerd op de bepalingsmethode van de Nationale Milieudatabase (NMD).
De NMD bevat MKI-waardes voor een groot deel van de bouwproducten die beschikbaar zijn. Die data worden gebruikt voor het opstellen van een MPG-berekening bij bouwprojecten. De MPG (milieuprestatie gebouw) is een verplichte analyse van de totale impact van een gebouw die onder een bepaalde waarde moet blijven om een bouwvergunning te krijgen:
- MPG-eis vanaf 1 juli 2026
- Woningen: ≤ € 1,60
- Kantoren: ≤ € 1,55
- Scholen: ≤ € 1,85
In dit document wordt doorgaans omwille van het argument verwezen naar CO₂-uitstoot om te refereren naar milieu-impact, omdat dit een meer intuïtieve eenheid is om bepaalde concepten mee uit te leggen. In al deze voorbeelden is het mogelijk om CO₂ uit te wisselen voor MKI.
2Impactreductie door hergebruik
In de onderstaande afbeelding is de milieu-impact van een bouwproduct weergegeven in alle levensfases van het product. In het schema wordt alleen CO₂-uitstoot weergegeven, maar hetzelfde geldt voor andere factoren die bij elkaar opgeteld de MKI vormen. Module A, B en C vertegenwoordigen de milieu-impact tijdens de levensduur van een product. Module D vertegenwoordigt de milieu-impact die wordt vermeden in de volgende levenscyclus als gevolg van hergebruik, recycling of energieopwekking. Dit is weergegeven als negatieve CO₂-uitstoot.
De keuze voor hergebruik heeft invloed op de milieu-impact uit module C3, C4 en D. De milieu-impact in die modules is een optelsom van de impact van een aantal scenario’s, zoals recycling en verbranding, vermenigvuldigd met de kans dat elk scenario optreedt. Op het moment dat de LCA gemaakt wordt, bij de bouw, vinden deze scenario’s in de verre toekomst plaats. De kans dat elk scenario optreedt, is daarom gebaseerd op forfaitaire waardes. Een lijst met die waardes wordt beheerd door de NMD. Zie een deel van die waardes in de onderstaande tabel als voorbeeld.
Tabel 1. Forfaitaire verwerkingsscenario’s uit de NMD (fragment)
| Nr. | Stroom | Specificatie | Verdeling over fracties (%) | ||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Laten zitten | Stort | AVI | Recycling | Hergebruik | |||
| 1 | actief kool | uit filters voor waterzuivering | 0 | 0 | 100 | 0 | 0 |
| 2 | afwerkingen | verkleefd aan hout, kunststof, metaal | 0 | 0 | 100 | 0 | 0 |
| 3 | afwerkingen | verkleefd aan puin | 0 | 100 | 0 | 0 | 0 |
| 4 | aluminium, uit B&U | o.a. profielen, platen, leidingen | 0 | 3 | 3 | 94 | 0 |
| 5 | aluminium, uit GWW | o.a. lichtmasten en randafwerkingen | 0 | 0 | 3 | 97 | 0 |
De milieu-impact die je reduceert door een product te hergebruiken, kan worden bepaald door het daadwerkelijke scenario te vergelijken met het voorspelde scenario op basis van de forfaitaire waardes: de “forfaitaire impact”. Omdat het hergebruikscenario (bijna) altijd gunstiger is dan bijvoorbeeld stort of verbranding (AVI), levert 100% hergebruik een impactreductie op ten opzichte van de forfaitaire impact. Die reductie is weergegeven in de afbeelding hieronder. Het betreft een reductie in module C3 en C4 doordat hergebruik minder vervuilend is dan het voorspelde scenario, en een toename van de negatieve CO₂-uitstoot in module D omdat hergebruik meer nieuwe productie uitspaart. De impactreductie door hergebruik is een optelsom van deze twee effecten:
Impactreductie = forfaitaire impact (C3, C4, D) − impact van 100% hergebruik (C3, C4, D)
3Bepalingsmethode voor de impact van een hergebruikt product
Uit hoofdstuk 2 blijkt dat een sloper die een product hergebruikt, er in feite voor zorgt dat de milieu-impact lager uitpakt dan oorspronkelijk is voorspeld. Die impactreductie kan echter niet meer worden toegekend aan de eerste levenscyclus van het product, omdat die volgens de huidige regels aan het begin van de cyclus wordt vastgesteld in de MPG. In dit hoofdstuk wordt een methode voorgesteld om de impactreductie door hergebruik te bepalen op zo’n manier dat deze kan worden meegenomen in de LCA van de tweede levenscyclus. Daarvoor gebruiken we de onderstaande weergave van twee individuele levenscycli als uitgangspunt. De vier verwerkingsscenario’s stort, AVI, recycling en hergebruik zijn bij C3 en C4 van links naar rechts weergegeven. De uitgespaarde milieu-impact bij module D is met stippellijnen weergegeven in een lichtere kleur, omdat er soms discussie over is of module D moet worden meegeteld in een LCA.
In het geval dat een product na de eerste cyclus wordt hergebruikt voor een tweede levenscyclus, ontstaat er een verbinding tussen de twee levenscycli. Die verbinding kan worden weergegeven als een afsplitsing na module C2 van de eerste levenscyclus die aanhaakt na module A3 van de tweede levenscyclus. Zie de onderstaande figuur. Dit heeft de volgende implicaties:
- Door deze afsplitsing komt de voorspelling op basis van forfaitaire waardes te vervallen en moet die dus worden afgetrokken. Dit levert een impactreductie op. Zie het rode deel.
- De afsplitsing zelf (in blauw) vertegenwoordigt module C3 en C4 van de eerste levenscyclus bij een scenario met 100% hergebruik. Die wordt opgeteld. Volgens de bepalingsmethode van de NMD is die impact overigens gelijk aan 0 als er geen tussenbewerkingen plaatsvinden. In het geval van tussenbewerking moet de aanvullende milieu-impact worden meegeteld.
- Modules A1-3 van de tweede levenscyclus komen te vervallen. Het uitsparen van deze modules is equivalent aan het meetellen van module D uit de eerste levenscyclus bij een scenario met 100% hergebruik. Dit levert een impactreductie op.
- Het resterende deel van de levenscyclus van een hergebruikt product volgt de normale regels.
Uit dit model kan de bepalingsmethode worden afgeleid voor de milieu-impact van een hergebruikt product. Deze impact bestaat uit twee componenten: 1) de impactreductie in de vorige (eerste) levenscyclus en 2) de resterende impact van het product als het opnieuw wordt toegepast. Hieronder is de bepalingsmethode weergegeven in formulevorm. De componenten uit module D zijn in een lichte kleur weergegeven. Die komen te vervallen als module D niet wordt meegeteld.
Impact van een hergebruikt product =
- + C3, C4, D vorige levenscyclus, 100% hergebruik
- − C3, C4, D vorige levenscyclus, voorspeld scenario
Impactreductie in de vorige levenscyclus
- + A4-C4, D hergebruikt product (gelijk aan nieuw product)
- + aanvullende milieu-impact door reparatie of herfabricage
Resterende impact van een hergebruikt product
Een voor de hand liggende toepassing van deze bepalingsmethode is dat bouwaannemers hem kunnen gebruiken voor hun MPG-berekening als alternatief voor factor H: een onnauwkeurige tijdelijke oplossing om het voordeel van hergebruik in acht te nemen. Als ze de voorgestelde bepalingsmethode gebruiken, kunnen ze uitgaan van de LCA van een nieuw equivalent minus module A1-3. De impactreductie uit de vorige levensduur mogen ze daar dan vanaf trekken. Als er een tussenbewerking plaatsvindt, is het nodig om die mee te nemen in de berekening. De verantwoordelijkheid ligt dan bij de tussenverwerker om deze data aan te leveren. In bijlage 1 wordt een tool voorgesteld om de impactreductie in de vorige levenscyclus makkelijk uit te rekenen, en in bijlage 2 wordt toegelicht hoe tussenverwerkers de impact van hun proces kunnen vaststellen en beschikbaar stellen voor MPG-berekeningen. Tot slot is het belangrijk om stil te staan bij de implicaties voor biobased bouwproducten. Daar wordt aandacht aan besteed in bijlage 3.
4Bijlagen
4.1Bijlage 1: impactreductie berekenen met Reusemate
Reusemate is een tool waarmee je slooppanden kunt inventariseren, hergebruik kunt registreren en kunt vaststellen wat de impactreductie is die je met hergebruik en recycling teweegbrengt. De tool is gebaseerd op de bepalingsmethode uit hoofdstuk 3. De tool bevat een database met verschillende materiaalstromen waarvoor verwerkingsscenario’s zijn gedefinieerd door de NMD (zie de lijst met forfaitaire waardes). De database bevat voor elk materiaal waardes voor de forfaitaire impact, de impact bij 100% hergebruik en de impact bij 100% recycling in module C3, C4 en D. Die data worden gebruikt om voor elk materiaal de impactreductie vast te stellen bij hergebruik en recycling.
- + C3, C4, D vorige levenscyclus, 100% hergebruik
- − C3, C4, D vorige levenscyclus, voorspeld scenario
Impactreductie bij hergebruik
- + C3, C4, D vorige levenscyclus, 100% recycling
- − C3, C4, D vorige levenscyclus, voorspeld scenario
Impactreductie bij recycling
Hieronder volgt een rekenvoorbeeld waarin de impactreductie wordt berekend in kg CO₂-uitstoot voor elke kilogram PVC (specifiek in kozijnen) die wordt hergebruikt of gerecycled. Bovenaan staat voor verschillende verwerkingsopties de CO₂-uitstoot uit module C en D. Daaronder staan voor drie scenario’s de percentages waarin de verwerkingsopties voorkomen, waaruit de impact van elk scenario volgt. Op basis daarvan wordt rechtsonder de impactreductie bij hergebruik en recycling berekend.
Tabel 2. CO₂-reductie (kg CO₂/kg) van PVC-kozijnprofielen
| Laten zitten | Stort | AVI | Recycling | Hergebruik | Totaal | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Impact module C3, C4 | 0,000 | 0,074 | 2,314 | 0,380 | 0,000 | |
| Impact module D | 0,000 | 0,000 | −0,043 | −1,280 | −3,120 | |
| Subtotaal | 0,000 | 0,074 | 2,271 | −0,900 | −3,120 | |
| Forfaitair scenario | 0% | 10% | 10% | 80% | 0% | 100% |
| Hergebruikscenario | 0% | 0% | 0% | 0% | 100% | 100% |
| Recyclingscenario | 0% | 0% | 0% | 100% | 0% | 100% |
| Impact forfaitair | 0,000 | 0,007 | 0,227 | −0,720 | 0,000 | −0,486 |
| Impact hergebruik | 0,000 | 0,000 | 0,000 | 0,000 | −3,120 | −3,120 |
| Impact recycling | 0,000 | 0,000 | 0,000 | −0,900 | 0,000 | −0,900 |
| Reductie bij hergebruik | 2,634 | |||||
| Reductie bij recycling | 0,414 | |||||
In Reusemate bepaal je uit welke materialen en bijbehorende gewichten een product is opgebouwd. Daaruit volgt de impactreductie van een compleet product, zoals bij het volgende voorbeeld.
Hieronder staat een rekenvoorbeeld voor een pvc-kozijn inclusief raam. Voor het gemak is aangenomen dat er naast PVC en glas geen andere materialen in zitten. De totale impactreductie per kozijn, in kg CO₂, wordt berekend op basis van de impactreductie van de materialen en de aanwezige hoeveelheid materiaal in het product.
Tabel 3. CO₂-reductie (kg) van een kunststof kozijn
| PVC | Glas | Totaal | |
|---|---|---|---|
| Reductie bij hergebruik (kg/kg) | 2,634 | 0,994 | |
| Reductie bij recycling (kg/kg) | 0,414 | 0,107 | |
| Hoeveelheid materiaal (kg) | 20 | 15 | 35 |
| Reductie bij hergebruik (kg) | 52,680 | 14,910 | 67,590 |
| Reductie bij recycling (kg) | 8,280 | 1,605 | 9,885 |
4.2Bijlage 2: impact van tussenverwerkers
Als er tussenverwerkingen nodig zijn om een product opnieuw toe te passen, moet de milieu-impact van die verwerkingsstappen in kaart worden gebracht. Als de verwerker een vast proces heeft ingericht, wordt het de moeite waard om vast te stellen wat de gemiddelde impact is per verwerkte eenheid. Op basis van de bepalingsmethode uit hoofdstuk 3 kan die data vervolgens worden gebruikt om de totale milieu-impact van het tweedehands product te berekenen en te laten opnemen in de NMD. Aannemers kunnen de milieu-impact van het product dan makkelijk gebruiken voor hun MPG. Dispersed is een partij die kan helpen om je product in de NMD te krijgen. Hieronder staan de relevante data om te verzamelen, met de herfabricage van sloophout als voorbeeld.
- Welke machines worden gebruikt?
- Wat is de milieu-impact van die machines per tijdseenheid?
- Hoeveel tijd staan de machines aan per eenheid materiaal?
- Welke afvalstromen worden geproduceerd per eenheid materiaal die het proces verlaat?
- Wat is de milieu-impact van het verwerken van die afvalstromen?
4.3Bijlage 3: uitzondering voor hergebruik van biobased materialen
In de algemene bepalingsmethode van de NMD zit een speciale regeling voor biobased producten (zoals hout) om mee te wegen dat bij het verbouwen van hout CO₂ wordt opgenomen uit de lucht. Die negatieve CO₂-uitstoot wordt (als positief effect) meegerekend in module A1 van een LCA van hout. In grove lijnen komt de netto biogene CO₂-uitstoot van een houten product uit op 0 in het geval dat 100% van het hout aan het einde van de levensduur (in module C) wordt verbrand en de opgeslagen CO₂ weer vrijkomt. In het scenario van 100% verbranding valt de totale CO₂-uitstoot zelfs iets lager uit door een positief effect in module D, omdat met de verbranding van hout energie wordt opgewekt die anders opgewekt zou worden met de verbranding van fossiele brandstoffen.
Intuïtief gezien is de milieu-impact lager als je een houten product hergebruikt in plaats van verbrandt. CO₂ die aan het begin van de eerste levenscyclus is opgeslagen, wordt dan immers nog een levenscyclus uit de lucht gehouden in plaats van dat het vrijkomt bij verbranding. Door een fout in de logica van de algemene bepalingsmethode is het echter minder gunstig om hout te hergebruiken dan te verbranden, door de impact van hergebruik in module D. Die is bij biobased producten namelijk gelijk aan het verbranden van hout, maar dan zonder de meevaller door uitgespaarde fossiele brandstof. Zie de onderstaande afbeelding. De logica hierachter is dat door het hergebruiken van hout er minder nieuw hout nodig is, waardoor er zogenaamd minder hout verbouwd wordt en CO₂-opslag niet plaatsvindt die anders wel zou plaatsvinden.
Deze redeneerfout ontstaat doordat bij module D dezelfde logica wordt gehanteerd bij biobased materialen als bij andere materialen, zonder rekening te houden met het feit dat deze logica niet helemaal opgaat in het geval dat er CO₂-opslag plaatsvindt. In de onderstaande afbeelding is weergegeven hoe module D werkt voor bijvoorbeeld staal: als staal wordt hergebruikt, is er minder nieuw staal nodig en hoeft er in module A1-3 van de volgende levenscyclus minder ijzererts gemijnd te worden en minder staal geproduceerd te worden, waardoor CO₂-uitstoot wordt vermeden.
Voor hout geldt ook dat als het wordt hergebruikt, er minder hout gekapt, gezaagd en geschaafd hoeft te worden, waardoor CO₂-uitstoot uit deze processen (A1-3) wordt vermeden. Wat echter niet per se wordt vermeden, is de CO₂-opslag uit module A1. Deze CO₂-opslag heeft al plaatsgevonden tijdens de groei van de boom, voordat wordt besloten om hem om te hakken. Ervan uitgaande dat we niet ineens alle bossen gaan kappen en verbranden als de vraag naar nieuw hout verdwijnt, komt het erop neer dat CO₂ niet in bouwhout wordt opgeslagen, maar wel blijft opgeslagen in het bos. De CO₂-toename in module D is volgens deze logica gelijk aan 0, omdat vermeden CO₂-opslag in hout wordt gecompenseerd door CO₂-opslag in het bos. Zie de onderstaande afbeelding. Dit is de rekenmethode die in Reusemate wordt toegepast voor het berekenen van de impactreductie bij het hergebruiken of recyclen van biobased producten.